De eerste protestantse martelaren (1523) – evocatie van hun terechtstelling

Op 1 juli 1523 stierven op de Grote Markt te Brussel twee Antwerpse monniken op de brandstapel: Hendrik Vos en Johan Van den Essen. De aanklacht? Het aanhangen van de ‘Lutherse ketterije’. D.w.z. dat zij het christelijk geloof anders wilden beleven dan de officiële kerk voorschreef. Het hele Antwerpse Augustijner klooster was hiervoor opgepakt, maar op drie na hadden alle anderen ‘herroepen’ (en hadden na vrijlating meestal hun biezen gepakt). Ook na maanden strenge ondervraging bleven drie monniken echter voet bij stuk houden. Toen kon de inquisiteur (Frans Van der Hulst) niet anders dan hen overleveren aan het wereldlijke gerecht om hen te executeren. Hieronder een evocatie van het gebeuren (uitgesproken te Antwerpen in de Sint-Andrieskerk, gebouwd op de locatie van het volledig gesloopte Augustijnerklooster)

1 juli 1523, Grote Markt, Brussel

Op de Grote Markt in Brussel is het een drukte van belang. Niet dat er markt is, of een tentoonstelling, neen… er zal een ketterverbranding plaatsvinden. Voor het stadhuis is een stelling gebouwd met zetels voor de hoogleraren van Leuven en de abten van de diverse orden.  Midden op de markt is ook een verhoging met een altaar erop… Daarnaast ligt een stapel brandhout…

‘t Is lang wachten, maar vlak voor 11 uur komt vanachter het broodhuis een plechtige stoet naderbij. Fransiscanen voorop in hun grauwe pijen, gevolgd door het zwart-wit van de dominicaanse predikheren en daarachter blootsvoets, de karmelieten…  Ze dragen een groot processiekruis en vaandels. Al biddend komen ze naderbij… De eerbiedwaardige en zeer katholieke hoogleraren van Leuven en de abten van de diverse bedelorden sluiten de rij. Zij nemen plaats op de verhoging voor het raadhuis. Vanuit het raadhuis kijken de raadsheren van Margaretha van Oostenrijk, de landvoogdes, en talrijke andere hoogwaardigheidsbekleders toe..

Stipt om elf uur wordt een jonge monnik naar het midden van de markt gebracht. Hij is van de orde van de Augustijner Eremieten, afkomstig van .. hier, exact deze plaats… het nog maar goed 10 jaar oude Augustijner-klooster van Antwerpen. Hij beklimt de verhoging en knielt voor het altaar. Achter hem staat een Fransiscaan. Die keert zich om, richt zich tot het volk en houdt een vlammend betoog vol waarschuwingen tegen de vervloekte ketterij van het lutheranisme, lutherije, op z’n Vlaams, die de laatste tijd zo’n opgeld maakt, en waar deze jongeman schuldig aan is bevonden.

Terwijl hij preekt – een uur lang – bestijgt de bisschop het verhoog en ontneemt de jonge monnik z’n priesterlijke waardigheid: hij wordt ‘ontwijd’. Even later worden er nog twee monniken naar het altaar geleid en met hen gebeurt hetzelfde. Alle drie laten het rustig over zich komen en geven geen krimp. Tenslotte komt de kettermeester naar voren en tracht de jongemannen nog maar eens tot herroeping van hun dwalingen te bewegen. Het is hun laatste kans… Ze weigeren alle drie, rustig doch beslist. De kettermeester schudt z’n hoofd, de bisschop knikt, en spreekt het autodafe uit. Hij draagt de drie jongemannen over aan de wereldlijke macht… om het kerkelijke vonnis te voltrekken. Ze worden het raadhuis binnengebracht en door de raadsheren overgedragen aan de beulen.

Enige tijd gebeurt er niets, maar dan gaan de deuren weer open en worden twee van de drie, Hendrik Vos en Johan van den Essen, naar buiten geleid en naar de brandstapel gebracht. Wat er met de derde, Lambertus van (den) Thoren is gebeurd, is lang onduidelijk geweest. Al snel ging het gerucht dat hij kort nadien in het geheim was terechtgesteld (brief van Erasmus, die dat had vernomen). In werkelijkheid is hij echter gewoon naar Vilvoorde (gevangenis) teruggebracht, waar hij in 1528 is gestorven zonder ooit berouw te hebben vertoond. Hij werd daar verzorgd door een groep Brusselaars die Luthersgezind was en die samenkwam rond de hofschilder en tapijttekenaar Bernard van Orley. 1

Nadat de twee mannen nogmaals geweigerd hebben te herroepen, worden ze aan de palen vastgebonden en op de brandstapel geplaatst. Men wacht – expres – lang voordat men het vuur aansteekt. Steeds arriveren er priesters, en paters (vooral Minderbroeders) die op hen inpraten en hen oproepen eieren voor hun geld te kiezen, hun ketterij te erkennen. God is genadig! Ze volharden. Dan wordt het vuur aangestoken. Ze roepen luid “dat ze wel als ketters verbrand worden, maar als christenen sterven”. En als de vlammen oplaaien – zo vertellen mensen die erbij waren – zijn ze beginnen zingen. Eerst het Credo in unum Deum… en toen de vlammen hoger klommen: Deum laudamus… en tenslotte – tenminst er is een getuige die zegt dat hij dat gehoord heeft – zetten ze de antifoon voor het magnificat in:  Haec est crux desiderata… [Dit is het kruis waarnaar wij verlangd hebben]. Volgens een ander verslag heeft de jongste zelfs nog geroepen dat de vlammen onder zijn voeten hem veeleer rozen geleken. Dit alles – en nog veel meer – is te lezen in al snel na het gebeuren verschijnenende brochures (onderling zijn ze nog al afwijkend, dus enige voorzichtigheid is geboden. Ze dienden zowel contra- als propaganda). In elk geval – en daar zijn alle getuigen het wel over eens – klinkt er tenslotte nog een afgrijselijke gil (of is het gewoon het geluid van …) en dan niets meer: enkel nog het geknetter van de vlammen.

Het volk dat gekomen was voor een ‘lekkere ketterverbranding’ is er stil van geworden. Ongemakkelijk schuifelen ze heen en weer. Er klinkt gemor… Men is onder de indruk van de geloofsmoed en de rust van die jonge Antwerpse mannen die God lovend hun dood tegemoet zijn gegaan.

Gravure uit Haemstede, Historie der martelaren, 1657

Het Augustijnerklooster was met de arrestatie en wegvoering van alle monniken in 1522 al gesloten. De nieuwe leer had echter vanuit dit klooster onstuitbaar de harten van de Antwerpenaren al veroverd. Nog jaren nadien spraken Antwerpenaars niet over ‘lutheranen’ als ze hervormingsgezinden bedoelden, maar ‘die van de Augustijnen’. De andere partij noemde men ook niet roomskatholieken, maar ‘die van de Dominicanen’, verwijzend naar de kloosterorde (en kerk: St. Paulus) die het ijverigst meewerkte aan de uitroeiing van de ketterij.

P.S. 1: Dulle Griet

In 1524 zijn alle panden van het Augustijner klooster te Antwerpen met de grond gelijk gemaakt, die op direct bevel van de landvoogdes Margaretha, en ondanks het protest van een andere ‘Griet’, een ‘dulle Griet’ avant la lettre (Margreet Boonams). Zij had in 1522 op Sint-Michielsdag (29 september) al een groep woedende vrouwen aangevoerd om de abt van het klooster, Hendrik van Zutphen, te bevrijden uit de handen van de inquisitie (die hem bij valavond met een list uit het klooster had gelokt, gearresteerd bij de Munt en ondergebracht in een cel in het Sint-Michielsklooster). Ze was het klooster binnengedrongen en eigenhandig hadden de vrouwen de pater uit de monnikscel naar buiten gebracht en laten onderduiken bij een van de drukkers in de Boeksteeg (ja dat was vlakbij, nu de Nationalestraat). Hier een link naar het verhaal uit het ‘Antwerps Chronykje’. – en ja: Pieter Bruegel kende dit verhaal ongetwijfeld. Zijn leermeester en schoonvader, Pieter Coecke van Aalst was immers een leerling van de reeds genoemde Barend van Orley, de man die hoogstpersoonlijk instond voor de verzorging van de derde Augustijnermonnik, die aan de verbranding was ontsnapt (zie voetnoot hieronder). En het is nog niet afgelopen: Toen op 13 oktober 1522 de keizerlijke inquisiteur (Van der Hulst) de overige paters kwam arresteren had ze de ‘heren van de wet’ voor alles wat denkbaar is uitgescholden en geprobeerd om opnieuw met behulp van een volksoproer de paters te bevrijden, of om het met het officieel proces-verbaal te zeggen:

.. Ze veroorzaakte grote beruerte, commotie en de geruchte van roepene, en crijtene onder t volck voer het clooster van den Augustijnen, daer de Heeren vander Wet innewaeren, sprekende opte selve heeren injurieuse ende afdragende woerden…

Ze wordt opgepakt en komt er deze keer niet met stokslagen en brandmerken van af. Ze wordt verbannen. Voor zonsopgang moet ze de stad verlaten hebben, en binnen drie dagen uit het markgraafschap verdwenen zijn. Ze mag pas terugkeren als ze een pelgrimage naar Nycosia in Cyprus heeft volbracht. En als ze toch een voet op Antwerpse bodem zet zonder dat ze met de papieren (d.w.z. aflaatbrieven) vandaar kan aantonen dat ze haar reis heeft volbracht, zal ze levend begraven worden.

Over het lot van deze ‘Dulle Griet’ is jammer genoeg niets bekend.

P.S. 2: Maarten Luther’s eerste lied

Toen Martin Luther enkele weken later het bericht hoorde… zo meldt een ooggetuige.. [ik citeer] “begon hij innerlijk te wenen en zei met van tranen vervulde stem: ‘Ik dacht dat ik de eerste zou zijn, die om het heilig evangelie de marteldood zou sterven, maar ik ben niet waardig geweest’”. Toen enige tijd later het gerucht verspreid werd (door nauw met de inquisiteur samenwerkende geestelijken) dat de twee monniken op het allerlaatste moment Maria zouden hebben aangeroepen en aldus zouden zijn teruggekeerd in de ‘schoot der heilige Kerk’, werd hij zo kwaad, dat hij een brief schreef naar de ‘christenen in de Nederlanden’ (hier kunt u het ‘digitaal zien‘) en dat hij naar de ‘pers is gegaan’ om daar eens precies te vertellen wat er gebeurd is… ‘naar de pers gaan’. Hij schreef er een ballade over. Zo deed je dat toen: ballades waar de nieuwsbulletins van toen. En 10 strofen lang doet hij uit de doeken hoe het is gegaan. Hieronder een recente opname.

Luther heeft dit niet alleen zelf geschreven (z’n eerste eigen liedtekst), maar waarschijnlijk ook zelf gezongen. Daarna is dit lied gekopieerd, gedrukt, verspreid en overal gezongen. Het werd getoonzet door muzikanten tot in de 17de eeuw (o.a. Michael Praetorius). Het opschrift luidt: Ein neu lied von den zwei Märtyrern Christi, zu Brussel von den Sophisten zu Löven verbrannt. [later wordt vaak toegevoegd: “geschehen im jahr 1523”, soms ook abusievelijk 1522]. Hier de ballade van Luther (het staat hier na de vertaling ‘Komm Gott, Schöpfer, Geist’ (veni creator spiritus):

Luthers ballade over de Antwerpse martelaren (Erfurter Enchiridion, 1523)
  1. Hij werd er goed verzorgd en kon er verder studeren, en zelfs corresponderen (o.a. met Luther! Een brief van Luther aan hem is bewaard). Toen hij in 1528 stierf – waarschijnlijk een natuurlijke dood – werd hij door de beul begraven onder de galg, een aanwijzing dat hij zijn ‘dwalingen’ niet herroepen heeft. Over deze monnik en de huisbijeenkomsten met Niklaes van der Elst ten huize van Barend van Orley, zie Johan De Cavele, De eerste protestanten in de Lagen Landen, h. 3.